Thermische isolatie en vochtwering
Thermische isolatie
Staalframebouw
gevels en vloeren die grenzen aan de buitenlucht worden standaard
voorzien van een isolatielaag in het element. De ruimte tussen de
staalframeprofielen moet volledig geïsoleerd worden, om koudebruggen én
ongewilde convectie in de isolatielaag te vermijden. Bovendien is een
extra laag noodzakelijk vanwege de warmtegeleidingscoëfficient van
staal: de koudebruggen door de staalprofielen dienen gereduceerd te
worden.
In staalframebouw zijn lage EPN-waarden haalbaar. Met
aanvullende isolatie is het ook mogelijk om passieve verwarmingssytemen
toe te passen. Bij dezelfde Rc-waarden zijn bij staalframebouw, in
vergelijk met andere bouwmethoden, kleinere wanddiktes mogelijk door de
goede constructieve eigenschappen.
Het vermijden van koudebruggen
Om
extra warmteverliezen en het gevaar van lagere oppervlaktetemperaturen
aan de binnenzijde van uitwendige scheidingsconstructies te voorkomen
moet men bij staalframebouw bijzonder attent zijn op het reduceren van
koudebruggen, bijvoorbeeld de profielen in de gevel- en dakelementen.
Ter
plaatse van een profiel kan op het binnenoppervlak de
condensatietemperatuur worden bereikt. Hierbij vertonen de mechanische
bevestigingsmiddelen de laagste oppervlaktetemperatuur. Bovenstaande
afbeelding geeft een voorbeeld van twee buitenhoekaansluitingen. Bij
het ene detail komen de staalprofielen samen en veroorzaken zo een
versterkte koudebrug. Bij het andere detail wordt door de ontkoppeling
van de profielen een koudebrug voorkomen.
Door het toevoegen van
een isolatielaag op het frame wordt de invloed van staalprofielen
zoveel gereduceerd, dat de totale Rc-waarde marginaal kleiner is dan
die van de volledig geïsoleerde delen. Als algemene ontwerpregel
geldt, dat bij een aanvullende buitenisolatie met een dikte van 20 mm
en een warmtegeleidingscoëfficent van 0,04 W/mK, de koudebruggen zo
klein zijn, dat condensatie aan de binnenzijde mag worden uitgesloten.
In
Zweden heeft men de koudebruggenproblematiek opgelost door de zogeheten
thermoprofielen. De versprongen, naast elkaar gelegen openingen in het
profiel verlengen de warmtetransportafstand door het lijf van het
profiel. In combinatie met minerale wol geven de thermoprofielen een
aanzienlijke reductie van de warmtestroom, zónder extra isolatie of
koudebrugonderbreking aan de buitenzijde. Een nadeel van de sleuven is
een reductie op de stijfheid én sterkte van het thermoprofiel van
ongeveer 5 à 10 %. Hiervoor zijn echter speciale verstevigingstukken en
hulpmiddelen beschikbaar.
De lucht- en winddichtheid
De
lucht- en winddichtheid van de daken en gevels heeft invloed op het
binnenklimaat. Een goede lucht- en winddichtheid voorkomt ook
(bouw)vochtproblemen en beïnvloedt de energiehuishouding van het gebouw
positief. Er is sprake van winddichtheid als de buitenlucht niet in de
isolatielaag of in de holte van het element kan komen en zo de
bouwfysische eigenschappen van het element negatief beïnvloedt. Het
doorstromen van lucht van buiten naar binnen kan tot onaangename
tochtverschijnselen leiden. Ook het binnenstromen van hinderlijke
geuren of stoffen uit naastgelegen ruimten wordt door een goede
winddichting verhinderd.
Vermijden van energieverliezen
Hollewandsystemen,
zoals staalframebouw, hebben naden in het bekledingsmateriaal. De
isolatie in de holle ruimte, doorgaans minerale wol, heeft een open
structuur en vormt in principe geen dampremmende laag. Lekkages van warme binnenlucht naar het element geven dan
gemakkelijk energieverlies. Daarom moet aan de binnenzijde een
dampremmende laag worden aangebracht.
Aan de buitenzijde van de
gevel moet voorkomen worden dat koude lucht in het element dringt.
Daarom wordt aan de buitenzijde van een element altijd een damp-open,
windkerende folie of een isolatielaag toegepast. Als het
buitenspouwblad van metselwerk is, wordt een damp-open folie als
windkering overbodig; toch wordt het dan evengoed vaak gebruikt om de
isolatie in het element te fixeren. Een isolatielaag aan de spouwzijde
van het binnenblad heeft dezelfde functie. Een extra folie is dan niet
nodig.
Inwendige condensatie
Door
lekkage bij de naden van de platen aan de binnenzijde kan lucht met een
hoge luchtvochtigheidsgraad in de constructie komen (door convectie).
Het vocht in de lucht kan condenseren, waardoor het isolerende vermogen
van de isolatie afneemt. Ook kan de condensatie leiden tot schimmels,
vorstschade of vochtplekken aan het oppervlak. Inwendige condensatie
moet absoluut worden vermeden, omdat de constructie inwendig niet te
controleren is. De intensiteit van de condensatie in het element is
door convectie aanzienlijk groter dan door diffusie (damptransport),
omdat bij convectie de meegevoerde luchthoeveelheden relatief groter
zijn.
Lucht- en winddicht ontwerpen en uitvoeren in staalframebouw
Veelal
is de lucht- en winddichtheid van elementen bij de producent of
fabrikant geregeld met een certificaat. De dampremming wordt gevormd
door een folie aan de binnenzijde van de buitenwanden, achter het
plaatmateriaal.
De naden van de platen (stootvoegen) van de
staalframe elementen liggen in hoofdzaak op de stijlen. De naden kunnen
eenvoudig worden dichtgezet door bijvoorbeeld afvoegen of worden
afgeplakt. De aansluitingen tussen aanliggende bouwdelen kan met een
flexibel kleefband (gesloten cellenband) worden afgedicht. Om
scheurvorming op lange termijn uit te sluiten, zijn gipsplaten aan te
bevelen. Deze hebben in tegenstelling tot houtachtige bouwmaterialen
een lage krimp- en zwellingcoëfficiënt.
De
toegepaste folies bevatten bij voorkeur geen dwarsnaden, zijn groter
dan de bijbehorende bouwdeelafmetingen en overlappen elkaar minstens
met een strook van 100 mm. Gebruik op de folie afgestemde lijmen,
plakbanden of dubbelzijdig tape. Hou ook rekening met de nodige
bewegingsruimte om de afgeplakte delen aan te kunnen drukken. De
overlap kan op de bouw worden afgeplakt of door de (extra) profielen
worden vastgezet.
Ook de uitvoering van doorvoeren van electra-,
water- en verwarmingsinstallaties en het inbouwen van kozijnen vragen
extra aandacht. Houd voor een goede luchtdichtheid rekening met de
volgende aspecten:
- het afstemmen van de constructie en inbouw op lucht- en winddichtheidseisen;
- scheiding van bouwdelen;
- zorgvuldige uitvoering van de luchtdichte laag;
- het toepassen van zo groot mogelijke folieafmetingen, waardoor het aantal folie-naden minder wordt;
- zorgvuldige uitvoering van doorbrekingen met een luchtdichte laag (folie);
- het toepassen van inbouwapparatuur dat speciaal voor hollewandsystemen is ontwikkeld;
-
scheiding van onderdelen met een luchtdichtheidsfunctie en een
ruimtescheidende functie. Zo kan op eenvoudige wijze beschadiging aan
de luchtdichte laag worden voorkomen.
Door het lichte gewicht en
vooral de grote maatvastheid van de staalframebouw elementen kunnen de
aansluitdetails met de huidige afdichtingstechnieken tegen relatief
lage kosten worden uitgevoerd.
Vochtwering
Door
de lagenstructuur van een element moet bij staalframebouw specifiek
gelet worden op de dampdiffusiestroom door de verschillende lagen. De
diffusieweerstanden van de afzonderlijke lagen moeten van binnen naar
buiten afnemen om condensatie uit te sluiten.
Oppervlaktecondensatie
Het
optreden van condensatie bij een kortstondige, sterke stijging van de
luchtvochtigheid aan de binnenzijde van een gebouw kan worden
verminderd als aan de binnenzijde van de ruimtes vochtregulerende,
vochtabsorberende materialen als gips of hout worden toegepast. Een
kortstondige inwerking van vocht is bij deze oppervlakken geen bezwaar,
omdat zij door hun materiaalstructuur vocht kunnen opnemen en weer aan
hun omgevingslucht kunnen afgeven.
Warmte-accumulatie
Bij
het ontwerpen van gebouwen moet men letten op de isolatie tijdens de
zomerperiode, om te voorkomen dat een te warm en onbehaaglijk
binnenklimaat ontstaat. Met de huidige technische kennis is een goede
warmte-isolatie in de zomerperiode mogelijk. De temperatuurstabiliteit
van woningen wordt vaak met dikke spouwmuren geassocieerd. Dit is
misleidend, tenminste bij goed geïsoleerde woningen.
Invloeden
De
warmte-toename in een gebouw wordt bepaald door zonlicht. Door
verkeerde of onvoldoende isolatie, lekken in het element, onvoldoende
ventilatie of door niet of onvoldoende zonnewering kunnen te hoge
binnentemperaturen ontstaan. De temperatuurverhoging van gebouwen wordt
door de volgende grootheden bepaald:
- de totale energiedoorlaatcoëfficient van glas;
- de grootte en positie van de glaspartijen;
- de zonnewering van de ramen binnen of buiten;
- de ventilatiemogelijkheden van de ruimten, ook nachtventilatie;
- het accumulerend vermogen van gevels, wanden en vloeren;
- de Rc-waarde van daken en gevels;
- het faseverschuivingsgedrag van de gevels
Bij
goed geïsoleerde woningen zijn de temperatuurverschillen tussen dag en
nacht klein. Een geringer accumulerend vermogen dat bij staalframebouw
ten opzichte van traditionele bouw het geval is, kan gedeeltelijk
worden gecompenseerd door het verhogen van de isolatie. Met betrekking
tot het effect van warmte-accumulatie is het interessant te weten, dat
bij zware, massieve wanden slechts een laag van 60 tot 100 mm warmte
accumuleert tijdens de dag-nacht cyclus.
Ontwerprichtlijnen
Het
bouwsysteem en het accumulerende vermogen van het gebouw zijn niet de
voornaamste factoren voor de zomerse temperatuurbeheersing. Bij het
ontwerp zijn de volgende richtlijnen van belang (naar rato van invloed):
- de intensiteit van de zoninstraling in de ruimte reduceren;
- het optimaliseren van de Rc-waarde en de winddichtheid van de gevels;
- de grootte van de verwamings- en koelelementen optimaliseren;
- de capaciteit van de mechanische ventilatie in relatie tot de klimaatregeling van binnen-buitentemperaturen;
-
de hoogte van de Rc-waarde en het accumulerend vermogen optimaliseren
door een effectieve materiaalkeuze bij de opbouw van de wandconstructie.
Als
principieel ontwerpuitgangspunt geldt: verhinder binnenkomende warmte
en voer de binnengekomen warmte weer af. Als men de ontwerprichtlijnen
gebruikt, zijn staalframebouw woningen ook %'s zomers comfortabel.
Gemiddeld liggen de binnentemperaturen slechts 0,5 tot 1,0 K boven de
waarden van traditionele bouwwerken. Bij de keuze voor een lichte of
een traditionele bouwmethode hoeft de vraag van warmtewering in de
zomer dus geen rol te spelen.
Ontwikkelingen
De
nieuwste ontwikkelingen voor verdere comfortverhoging gaan in de
richting van de zogeheten latente warmteopslag met gipsplaten of
cellulose-isolatie.
Gipsplaten
Het gips van de gipsplaten wordt gebonden met ongeveer 20 % toeslagstof
van zeer kleine waskogeltjes (parafine). Dit materiaal wordt aangemerkt
als 'Phase Changing Material' (PCM). Voor de faseovergang van
de parafine is veel warmte nodig. De warmte wordt daardoor in het
materiaal opgenomen en opgeslagen. In het omgekeerde geval, bij het
stollen, wordt de warmte weer 'latent' afgegeven. Een element
dat met dergelijke platen is bekleed, kan het equivalent aan warmte
opslaan van een 115 mm dikke kalkzandsteenwand.
Isolatie van cellulose
Cellulose is een recyclingsproduct van krantenpapier. In Duitsland zijn
proeven gedaan met identieke woningen met verschillende
isolatiematerialen van minerale wol en cellulose. De 'cellulose-woning' bleef in de zomer gemiddeld 6° koeler dan
de 'minerale-wol-woning' en de cellulose-woning koelde minder
snel af. Daaruit blijkt dat cellulose goede warmte-accumulerende en
warmte-regulerende eigenschappen heeft. In de winter zal een woning met
cellulose de warmte bijvoorbeeld langer vasthouden. Deze
warmtetechnische eigenschappen van cellulose zijn inmiddels door TNO
uit Delft bevestigd.