Ontwerp en constructie
Constructieve eigenschappen van staalframebouw
De draagconstructie van staalframebouw met dunwandige koudgevormde
staalprofielen is gelijk aan alle andere dragende stijl- en
regelwerksystemen, zoals houtskeletbouw.
Constructief gezien verschilt staalframebouw fundamenteel van
staalskeletbouw. De krachten worden niet afgedragen door een skelet,
maar door schijfvormige wand- en vloerelementen die zowel de dragende
als de scheidende functies vervullen.
Op het stijl- en regelwerk van koudgevormde staalprofielen worden
platen bevestigd. Het staalframe wordt ook geďsoleerd, vaak met
minerale wol. Zo ontstaat een samengesteld onderdeel, een element. Dit
element kan krachten opnemen loodrecht op het vlak, maar ook evenwijdig
aan het eigen vlak (stabiliteit). Staalframebouw kan dus voor
horizontale én verticale krachtafdracht gebruikt worden. De stijfheid
van bekleding is zó groot, dat deze constructief meewerkt
(schijfwerking). De koudgevormde profielen kunnen door de bekleding
niet uitknikken in het wandvlak. De schijfwerking in het vloerelement
voorkomt zo ook het 'kippen' van de vloerprofielen
(zijdelings wegdraaien van de gedrukte flens). De wandelementen
ondersteunen de vloeren, maar nemen ook de horizontale belastingen op,
die veroorzaakt worden door windbelasting en onvoorziene scheefstand
van het gebouw, of van het element.
Stabiliteit met kruizen en schijfwerking uit beplating.
Op dit moment zijn er voor staalframebouw geen Nederlandse rekenregels
beschikbaar waarmee de stabiliteit uit de schijfwerking van de
bekleding goed kan worden bepaald. De rekenregels kunnen echter worden
herleid van het SBR-rapport 89, dat rekenregels bevat voor
schijfwerking van triplex en gipsplaten voor stabiliteit in
houtskeletbouw. In veel bedrijfsinformatie en certificaten van
staalframebouw is de schijfwerking opgenomen. Maar ook worden de
elementen vaak nog voorzien van traditionele windverbanden,
bijvoorbeeld achter de beplating (zie afbeelding).
Constructieprincipes
Net als bij houtskeletbouw onderscheidt men bij staalframebouw de platform- en de balloonmethode:
Platformmethode
Bij deze methode worden eerst de wanden geplaatst, daarop wordt de
vloer gelegd. Op die vloer worden de volgende wanden geplaatst,
enzovoort. Zo worden de krachten uit de wanden via de vloerelementen
overgedragen naar de onderliggende constructie. De platformmethode is
de meest bekende én meest gebruikte manier van bouwen. Een voordeel van
deze methode ten opzichte van de balloonmethode is, dat er altijd een
werkvloer aanwezig is voor de montage van de volgende elementen.
Balloonmethode
Bij de balloonmethode worden de vloeren naast of tussen de
wandelementen opgehangen. De dragende wandelementen lopen verticaal
voorbij de vloer door. De constructie bij een horizontale aansluiting
kan met minder profielen worden uitgevoerd. Ook de dampremmende laag
kan daar ononderbroken worden aangebracht. Er staat tegenover, dat het
aansluitdetail constructief ingewikkelder is.
De staalprofielen worden via schroeven of clinchen (drukvoegen)
onderling bevestigd. De platen worden op de stijlen geschroefd of
genageld met behulp van persluchtapparaten (zie hiervoor 'Fabricage,
prefabricage en montage').
De hart-op-hartafstanden van de C-profielen (stijlen en vloerprofielen)
varieren en worden bepaald door de statische berekeningen en door de
afmetingen van de platen. De h.o.h.-afstand van de stijlen in een
gevelelement is feitelijk ondergeschikt aan het ontwerp van de gevel.
Het is gunstig als de sparingen in wandelementen zijn afgestemd op de
h.o.h.-afstand van de stijlen. Grotere sparingen in dragende wand- en
vloerelementen kunnen worden overspannen met dikkere of met in elkaar
geschoven staalprofielen (lateiconstructie), of eventueel met
warmgewalste staalprofielen.
De materiaalsoort en de dikte van het plaatmateriaal voor de bekleding
van de staalframes worden bepaald door de constructieve, brandwerende
en akoestische eisen die aan het onderdeel worden gesteld (zie ook
'Akoestiek' en 'Brandveiligheid').
Bij een vergelijking met de traditionele steenachtige bouwmethoden
onderscheidt staalframebouw zich in meerdere opzichten positief. Bij
een vergelijkbare wand- en vloerdikte, presteert staalframebouw beter
op thermisch en akoestisch gebied. Keert men de vergelijking om en gaat
men uit van gelijke prestaties, dan resulteert dit bij staalframebouw
in kleinere diktes en dus in een toename van de netto vloeroppervlakte.
In de holle ruimte tussen de stijlen kunnen leidingen eenvoudig in het
systeem opgenomen worden. In de staalprofielen kunnen standaard gaten
worden aangebracht om leidingen door te voeren. Bij het aanbrengen van
leidingen dient men erop toe te zien, dat de doorvoeren akoestisch en
constructief verantwoord worden uitgevoerd.
Door het geringe eigen gewicht van de constructie kunnen bestaande
gebouwen met nog een restcapaciteit in de fundering, zonder extra
aanpassingen aan de fundering van extra bouwlagen worden voorzien
(optoppen). Het lage eigen gewicht biedt evenveel voordeel bij
nieuwbouw. Bij gebouwen tot drie verdiepingen is het mogelijk de
constructie direct op een gestorte begane grondvloer af te steunen,
zonder heipalen.
Ontwerp en vormgeving
Vloerconstructies met overspanningen tot 8 m kunnen zonder problemen in
staalframebouw worden uitgevoerd (zie 'Koudgevormde profielen voor
staalframebouw'). Daardoor is het mogelijk om woningen met een gangbare
indeling zonder enige beperking uit te voeren in staalframebouw. Met
staalframebouw kan, door de eenvoud van het systeem, met een grote mate
van flexibiliteit worden ontworpen.
Toekomstige uitbreidingen of herindelingen kunnen eenvoudig worden
uitgevoerd, als daar bij het ontwerp rekening mee is gehouden. Door
rekening te houden met extra installaties en door leidingen te
bundelen, kunnen veranderingen eenvoudig worden gerealiseerd. Er zijn
vrijwel geen beperkingen aan de vormgeving van de staalframebouw
elementen en de afbouw. Afhankelijk van de gewenste bouwfysische
prestaties en statische belastingen zijn diverse bekledingsmaterialen
aan de binnenzijde mogelijk, die op elke denkbare wijze kunnen worden
nabehandeld. Ook kan de bekleding onbehandeld blijven (chipwood of
speciale fineerplaten). Voor de gevels zijn eveneens alle gangbare
materialen en systemen mogelijk.