Brandveiligheid
Functies
Dunwandige
en lichte staalconstructies kunnen tegen hoge temperaturen beschermd
worden door koelende of isolerende beplating. Zo kunnen sterke
thermische vervormingen en het bezwijken van de bouwdelen worden
voorkomen. Bij staalframebouw worden de staalprofielen opgenomen in
wanden, gevels en vloeren met specifieke brandwerendheidseisen. Op die
manier vervult de wand een dubbele functie (scheiding plus bescherming)
en wordt effectief omgegaan met de (brandwerende) bekleding.
Brandgedrag van de bouwmaterialen in staalframebouw
De
totale brandwerendheid van de staalframebouw wanden en vloeren wordt
verzorgd door de verschillende componenten waaruit de elementen zijn
opgebouwd. De staalprofielen zelf zijn onbrandbaar, maar moeten wel
brandwerend worden bekleed. Voor deze bekleding kunnen de volgende
materialen worden gebruikt:
- gipskartonplaten;
- gipsvezelplaten;
- glasvlies versterkte gipsplaten;
- calciumsilicaatplaten.
Deze
materialen dienen als wand-, plafond- en vloerafwerking. In
onderstaande afbeelding staan de karakteristieke doorbrandtijden van de
verschillende bouwmaterialen. Deze indicatieve waarden geven aan
hoelang ze het staal beschermen tegen de brand, respectievelijk de in
de constructie aanwezige vuurbelasting.
In
een niet-dragende wand reduceert isolatie in de holle ruimtes de
warmtestroom naar de niet-verhitte zijde. In een dragende wand is de
kritische temperatuur van de staalprofielen doorgaans 500°C en bepalend
voor de draagkracht van de wand. De isolatie in de holle ruimtes van de
constructie verhindert de warmteafgifte naar de niet-verhitte zijde,
waardoor aan de brandzijde de kritische temperatuur van de beplating
sneller wordt bereikt dan wanneer geen isolatie aanwezig is.
Isolatie
kan ook nodig zijn om bouwfysische redenen. Moet de isolatie om
akoestische of thermische redenen worden toegepast, dan moet de
constructie zijn doorgerekend op de mogelijke invloeden van de
isolatie. Dampremmende lagen of foliëen beïnvloeden het brandgedrag
niet.
Classificatie en bepaling van de brandwerendheid van staalframebouw onderdelen
Het
Bouwbesluit stelt eisen aan de weerstand tegen branddoorslag en
brandoverslag (WBDBO) tussen brandcompartimenten. Hierbij gelden de
volgende criteria:
- vlammen of hete gassen mogen niet worden doorgelaten;
- de temperatuur aan de niet-verhitte zijde mag niet te hoog oplopen;
- de straling aan de niet-verhitte zijde mag niet te hoog oplopen;
- er mag geen bezwijken optreden gedurende de bepaalde tijd van de hoofddraagconstructie; let op voortschrijdende instorting.
Het brandgedrag en de brandwerendheid van de staalframebouw onderdelen is afhankelijk van:
- de thermische belasting;
- de afmetingen;
- het type constructie;
- het statisch systeem;
- de belasting op het bouwdeel;
- de brandwerende bekledingen.
Het
Bouwbesluit stelt naast eisen aan de brandwerendheid ook eisen aan het
brandgedrag van de bouwmaterialen. Doordat staalframebouw elementen
vrijwel volledig bestaan uit brandveilige onderdelen wordt automatisch
voldaan aan deze eisen.
Voornamelijk de bekleding bepaalt de
brandwerendheid van het staalframebouw element. Een bekleding van
platen met extra brandwerende eigenschappen kan de totale
brandwerendheid tot op de hoogste eis brengen. De waarden voor de
brandwerendheid van de staalframebouw onderdelen zijn bepaald uit
brandproeven of ze zijn vastgelegd in erkende kwaliteitsverklaringen
(KOMO-attesten).
Het maatgevende criterium bij brandproeven is
vaak de maximale temperatuursverhoging van 140°C in het midden van de
constructie aan de niet-verhitte zijde. Wordt aan dit criterium
voldaan, dan kan die constructie in principe worden gebruikt als
bescherming voor stalen profielen. Wel dient gecontroleerd te worden,
of de brandwerende beplating gedurende verhittingsduur in tact blijft.
Wanden met brandwerendheidseisen
De
opbouw van dragende en niet-dragende wanden is met het oog op
brandwerendheid gelijk. Maatgevend voor de brandwerendheid is het type
bekleding, de isolatie, de wandhoogte en de dikte ervan. Een
niet-dragende wand moet zijn scheidende functie gedurende de geëiste
brandduur behouden. Een dragende wand of stabiliteitswand moet daarbij
ook zijn constructieve functie blijven vervullen. Dat houdt in dat alle
dragende delen tegen brand beschermd moeten worden.
Elektrische installaties in wanden
Hollewandcontactdozen
kunnen op elke willekeurige plek in een dragende of niet-dragende wand
worden ingebouwd. Ook andere installaties kunnen in de holle ruimtes
doorgevoerd worden. Daarbij moet onder andere met de volgende zaken
rekening gehouden worden:
- In scheidingswanden mogen de wandcontactdozen niet direct tegenover elkaar liggen;
-
Tegenover elkaar liggende wandcontactdozen in een wand met dubbele
stijlen met een afstand < 600 mm moeten gescheiden worden door een
GKF-beplating van > 600x600 mm2 en een dikte overeenkomstig de
wandbekleding;
- De isolatie die vanwege brandwerendheid wordt
toegepast mag ter plaatse van de wandcontactdozen niet meer dan tot op
30 mm worden ingedrukt.
Staalframevloeren met brandwerendheidseisen
De
brandwerende classificatie van staalframevloersystemen gebeurt op
dezelfde wijze als bij wanden. Daarbij moeten vloeren altijd als een
totaal van vloer plafond constructie beschouwd worden. De
vloerprofielen worden door de brandwerende bekleding aan de onderzijde
tegen brand beschermd en aan de bovenzijde door de afwerklaag.
Brand van onder
Voor
staalframebouw vloeren zijn geen specifieke rekennormen voor handen en
wordt voor de bepaling van de brandwerendheid gebruik gemaakt van
bestaande proeven of attesten van de afzonderlijke bouwmaterialen óf
van de staalframebouw systemen. Daarbij wordt hoofdzakelijk
teruggegrepen naar de waarden van plafondsystemen die bij brand
zélfstandig een bepaalde brandwerendheid hebben.
Brand van boven
In
de Nederlandse norm (NEN 6069) worden vloeren niet beoordeeld op een
brand van boven. In andere landen zoals Duitsland wel. Bij
brandwerendheid van de staalframebouw vloer is het type en de dikte van
de vloerafwerking aan de bovenzijde en die van de isolatie maatgevend.
Dakconstructies
Daken
die qua afbouw met vloeren vergelijkbaar zijn, worden op
brandwerendheid gelijk gesteld. De genoemde bepalingen voor de brand
van onder, gelden ook. Over het algemeen moeten daken tegen brand van
buiten voldoende weerstand kunnen bieden tegen vliegvuur conform NEN
6063.
Installaties in de vloeren
Sporadisch
voorkomende elektrische leidingen kunnen door de vloeren worden
doorgevoerd zónder invloed op de brandwerendheid als de openingen met
gips wordt gevuld. Verticale leidingen vragen extra zorg bij de
uitvoering als ze de vloeren loodrecht doorsnijden. Gebundelde
leidingen met een gezamenlijke doorsnede van 50 mm kunnen zonder extra
maatregelen worden doorgevoerd. De doorvoer moet worden dichtgezet met
een minerale wol met een smeltpunt van > 1000 °C of een gipslaag.
Brandwerende bekledingen op dragende wanden en stabiliteitswanden
Wanneer
in de staalframebouw constructie vrijstaande kolommen of liggers worden
toegepast die niet in een wand of vloer vallen, moeten maatregelen
worden genomen voor de vereiste brandwerendheid. Ook als ze reeds door
integratie in een vloer of wand gedeeltelijk tegen brand zijn beschermd
kan extra bescherming nodig zijn. Om de vereiste brandwerendheid te
waarborgen moet met de volgende criteria rekening worden gehouden:
- eisen aan de bouwdelen;
- geldende normen;
- verhitting van de constructie elementen;
- geometrie van de profielen: profielfactor;
- keuze van de bekleding en de bekledingsdikte;
- bescherming van de bekleding daar waar ze de meeste kans op beschadiging oploopt;
Bij
de uitvoering is de bevestiging van de bekleding van groot belang. Er
zijn op de markt beproefde en gecertificeerde wand- en vloerplaten
verkrijgbaar die met mechanische bevestigingsmiddelen met elkaar worden
verbonden zonder hulpconstructie.
Brandwerende eigenschappen van hollewandconstructies
Staalframebouw
is een hollewandsysteem. Brand kan zich in de holle ruimtes van het
systeem uitbreiden en de schadelijke gassen kunnen terechtkomen in
bouwdelen waar geen brand is.
Om branduitbreiding in gebouwen te
verhinderen en de rookdichtheid van detailleringen te verzekeren, moet
in de eerste plaats worden gelet op de kierafdichting in de aansluiting
tussen horizontale en verticale bouwdelen. De voegen moeten zorgvuldig
worden afgesmeerd. Deze uitvoering geldt ook wanneer bouwkundige
onderdelen en/of leidingen een wand kruisen.
Indien leidingen
een wand doorkruisen, moet ervoor worden gezorgd, dat naast de functie
van het afdichten ook vlamoverslag door de sparing niet voorkomt. Bij
openingen met een diameter > 50 mm moet de leiding buiten de wand
brandwerend worden bekleed, of het moet een leiding van onbrandbaar
materiaal zijn, zodanig dat aan de brandwerendheidseis voor deze wand
wordt voldaan.